Vogels

 

De tjiftjaf

Wetenschappelijke naam : Phylloscopus collybita.

Verspreiding : bossen, parken, tuinen, geheel Europa behalve Noord Scandinavië, Noord-Siberië en Noord- Schotland.

Voedsel : spinnen en insecten.
Grootte : 11cm, 9 gram.

De tjiftjaf is een van de kleine, grijze, onopvallende vogeltjes die er zijn. Vaak zie je allen aan het plotseling bewegen van wat takjes dat er zo’n vogeltjes in de bosjes zit, want hun kleuren zijn perfecte schutkleuren.

Het is een kleine niet opvallende zangvogel,die één keer per jaar broed in mei. Er worden 5 tot 6 eieren gelegd in een bolvormig nest dat zich vlak bij de grond in de struiken bevindt. De eieren worden twee weken bebroed en de jongen na het uitkomen nog twee weken verzorgd.

 

Het roodborstje

Wetenschappelijke naam : Erithacus rubecula.

Verspreiding : bos, park en tuin.

Voedsel : insecten, spinnen, rupsen, wormen, bessen en zaadjes.
Grootte : 14cm, 19,5 gram.

Het roodborstje is door zijn roodoranje borst, grote zwarte ogen en zijn dunne snaveltje met geen enkele andere vogel te verwarren.
Meestal zit hij op de grond, nieuwsgierig tussen de blaadjes te zoeken naar eten.
Zijn nest bouwt hij het liefst laag bij de grond, bv. Onder een boom of tussen de boomwortels. Hij legt zo’n 4 tot 6 eieren en heeft veelal twee broedsels per jaar.
Een deel van de roodborstjes trekt in de wintermaanden naar het zuiden. De achterblijvers worden ’s winters veelal gezien in tuinen met voederplaatsen, vetbollen of pindanetjes.
Zijn ijle klaagzang is een lust om naar te luisteren. Het bestaat uit een reeks snikjes en tikjes wat hij vrijwel het hele jaar door laat horen.

 

De ekster

Wetenschappelijke naam : Pica pica.

Verspreiding : In de stad en op het platteland.

Voedsel : noten, aas, afval, jonge vogels, eieren.
Grootte : 46cm, 200gram.

Deze zwart-witte vogel is te herkennen aan zijn extreem lange staart. Bij het mannetje is deze iets langer dan bij de vrouw. Ze leven meestal in paartjes of kleine groepen bij elkaar.

De laatste jaren komen ze steeds vaker in achtertuinen voor, waar ze knap brutaal gedrag vertonen.

De ekster komt vrijwel in geheel Europa voor, waar hij graag in bomen of op de grond vertoeft om zijn maaltje bijeen te sprokkelen.

Zijn nest bestaat uit een grote wirwar van takken die naar beneden in een punt uitloopt.

Eksters zijn zeer alert en waakzaam. Als er een kat, een uil of ander gevaar op de loer ligt laat hij zijn alarmroep horen, een schorre tsje-tsje-tsje-tsje.

 

De Vlaamse gaai

Wetenschappelijk naam : Garrulus glandarius

Verspreiding : In alle soorten bos.

Voedsel : alles, maar het liefst insecten.
Grootte : 34cm , 170 gram.

De Vlaamse gaai is een rustverstoorder , met zijn schraaaak-geluid.

Hij is te herkennen aan zijn bontgekleurde verenkleed en zijn witte stuit.

Wat ook opvalt zijn de wit-blauw gestreepte veren op zijn dekveren aan het uiteinde van zijn vleugels.

In april/mei legt hij 5 tot 7 eieren in een zelfgemaakt nest, het broeden duurt ongeveer 17 dagen. De jongen worden bijna drie weken in het nest gevoerd.

 

De groenling

Wetenschappelijke naam :: Chloris chloris.

Verspreiding : geheel Europa, behalve Noord-Scandinavië en Siberië.

Voedsel : zaden, knoppen en bessen.
Grootte : 14,5cm, 30 gram.

Gelig grijsgroene vinkensoort, iets kleiner en slanker dan de gewone vink. In vergelijking met het mannetje is het vrouwtje wat fletser en grijzer.

De vogel bouwt twee tot drie nestjes per jaar in bomen en struiken. Er wordt gebroed van april af tot soms in augustus toe. De broedtijd is dertien dagen en de jongen blijven zo’n twee weken op het nest.

De vogel komt vooral voor in lichtere bossen, parken en tuinen. De aanplant van allerlei wilde rozen die rozenbottels produceren verhogen de kans op de aanwezigheid van deze vogel aanzienlijk.

De vogel is gek op zaden, zowel die van gras als die van paardebloemen, knoppen en bessen. De groenling is echt niet schuw en komt ’s winters graag naar de voedertafel in de tuin.

 

De vink

Wetenschappelijke naam : Fringilla Coelebs

Verspreiding : loof- en naaldbossen, parken en tuinen.

Voedsel : zaden en kleine insecten.
Grootte : 15cm, 20 gram.

De vink, met zijn grijze kruin en zijn dubbele witte vleugelstreep is een van de meest voorkomende vogels in Europa. Het mannetje valt vooral op door zijn roestbruine borstpartij.

Vinken vertoeven buiten de broedtijd graag in grote groepen soortgenootjes. Ze scharrelen dan vak op de grond rond. Bij gevaar zoeken zij hun toevlucht in een bosje of een haag.

Hun dikke snavel is uitstekend geschikt voor het kraken van zaden, dit is dan ook hun voornaamste voedsel. ’s Zomers eten ze ook wel kleine insecten. De vink bouwt zijn nest het liefst in een lage boom of struik. Het nest zelf is komvormig.

In het bos is de roep van de vink één van de meest voorkomende. Sommige mensen beweren in de roep van de vink, het woord vink te horen. Over het algemeen genomen bestaat het uit een reeks luide, maar vrolijke noten eindigend in tissi-tjoewie.

 

Het winterkoninkje

Wetenschappelijke naam : Troglodytes troglodytes.

Verspreiding : in heel Europa.

Voedsel : insecten.
Grootte : 9cm.

Het winterkoninkje is een klein rond vogeltje met een piepklein wipstaartje. Dit zeer kleine vogeltje hoor je vaker dan dat je hem ziet.

Niet omdat het dier zo schuw is, integendeel, maar omdat hij zo klein is en zich onopvallend door gebladerte begeeft. Het zit bijvoorbeeld graag in grotere oude coniferen.

Zijn naam dankt hij aan het feit dat zijn parelende liedje vaak nog midden in de winter te horen is. Alleen in zeer strenge winters treed een duidelijke ‘stille’ fase in.

Een bolvormig nest wordt gemaakt in struiken heggen en bomen en er worden 5 tot 7 eieren uitgebroed. Voor zo’n kleine vogel is de broedtijd best lang, ongeveer 14 tot 16 dagen. De jongen blijven tot bijna drie weken op het nest.

De vogel komt overal voor waar je dicht struikgewas vindt. Hij is niet erg schuw en trekt zich daarom niet veel van mensen aan om zijn diner, insecten, samen te stellen.