Insecten

 

Het lieveheersbeestje

Wetenschappelijke naam : Coccinella.

Lieveheersbeestjes zijn kevers. Een kever is pas een lieveheersbeestje als het een platte buik heeft en als zijn rug, borst en kop samen bijna een half bolletje vormen, van opzij gezien. Zijn grootte is tussen de 5 en 9 mm.

Er leven in Nederland zo’n 60 verschillende soorten. Een aantal daarvan zijn heel gewoon, maar er zijn ook zeldzame soorten die je pas vindt na heel goed zoeken.


 
Het meest voorkomende lieveheersbeestje in Nederland is het zevenstippelige. Dit beestje heeft op elk van zijn twee dekschilden 3 en een halve stip. Die beide halve stippen samen vormen samen de zevende stip.

De stippen van het lieveheersbeestje hebben niets met de leeftijd te maken, het geeft de soort aan.

Ze eten voornamelijk bladluizen. Een volwassen beestje lust per dag zo’n 100 bladluizen. Dat zijn er ruim 3000 per maand.

In het najaar verzamelen de lieveheersbeestjes zich voor de winterslaap in kleine groepjes. Voornamelijk omdat overwinteringplekjes schaars zijn. Ze brengen de winter door onder een pak bladeren, een half vergane boomstronk of iets dergelijks.
 

De waterspin

Wetenschappelijke naam : Argyroneta aquatica.

Verspreiding : rustig helder water.
Voedsel : waterdiertjes.
Grootte : 8 tot 15 mm.

De eerste spinnen verschenen zo’n tweehonderdvijftig tot driehonderd miljoen jaar geleden op het land, die tijd noemen we het Carboon.

De waterspin is de enige spin die vrijwel haar hele leven in het water doorbrengt, ze heeft geen kieuwen, maar boeklongen, vlezige plaatjes met lucht ertussen die naast elkaar zitten, en moet daarom regelmatig naar de oppervlakte om adem te halen.

Maar de spin heeft er, wijs als ze is, iets opgevonden. Haar buik is heel dicht bezet met korte, geveerde haartjes, die allemaal naar het lichaam toe zijn gebogen. Als de spin even haar achterlijf boven het wateroppervlak steekt en weer terugtrekt, blijft de lucht en dus de zuurstof tussen de haartjes en het spinnenlichaam hangen en vormt een luchtbel. Zo kan ze als ze duikt extra zuurstof meenemen.

 

De schaatsenrijder

Wetenschappelijke naam : Gerridea

Verspreiding : schoon water.
Voedsel : mugjes en vliegjes.

Deze schaatsenrijder heeft zijn handen niet op de rug, want het is een insect. Omdat zijn pootjes een beetje vettig zijn blijft hij drijven. Als de sloot vies is, of als er zitten stoffen in die vetten kunnen oplossen, dan zinkt de schaatsenrijder en verdrinkt hij. Hij eet de mugjes en kleine vliegen die op het water vallen. Ze boren er een gaatje in en zuigen ze leeg.

 

De waterjuffer

Wetenschappelijke naam : Coenagrion pulchellum.

Verspreiding : helder en schoon water.
Grootte : ongeveer 5 cm.

In ons land komen er ongeveer 70 soorten libellen voor, grote en kleine, dikke en dunne. Heel bekend zijn de vrij kleine en dunne waterjuffers. De meest voorkomende zijn de zogenaamde blauwe waterjuffers, maar er zijn ook andere kleuren zoals de rode waterjuffer.

 
Libellen vlogen tientallen miljoenen jaren eerder rond op aarde dan vogels, ze behoren tot de oudste insectensoorten, de oudste bekende libelle leefde ruim 300 miljoen jaar geleden.
De libelle bestaat uit twee onderorden: de echte libelle en de waterjuffer. De libelle heeft ongelijke vleugels, de achtervleugels zijn veel breder dan de voorvleugels. De waterjuffer heeft bijna gelijke voor- en achtervleugels en is kleiner dan de libelle.
Al zie je nog veel libellen vliegen, toch worden ze met uitsterven bedreigd. Ze zijn gevoelig voor watervervuiling en je zult ze dus voornamelijk tegen komen in helder en schoon water.