Amfibieën

 

Amfibieën zijn gewervelde dieren. Dat betekent dat ze een skelet hebben en hun lichaamstemperatuur afhankelijk is van de temperatuur van hun omgeving. Het leven van amfibieën speelt zich deels in het water en deels op het land af.
Het woord amfibie betekent dan ook "aan beide kanten levend ".
Voor de voortplanting zijn ze gebonden aan het water. Hier worden in het voorjaar de eieren afgezet en ontwikkelen de larven (dikkopjes, kikkervisjes) zich.

 


 
De larven hebben kieuwen en kunnen dus onderwater ademhalen net als vissen. Bij de metamorfose verliezen de larven hun kieuwen en krijgen ze longen en poten. Vanaf dat moment moeten ze hun zuurstof uit de lucht halen.

In de winter houden de meeste soorten een winterslaap/rustperiode op vorstvrije plekken.

 

 

Het opkweken van kikkers en de wet

Alle Nederlandse amfibieën zijn volgens de wet beschermd. Dit houdt in dat ze niet gevangen of verplaatst mogen worden.

Het is echter wel toegestaan om kikkereitjes van de groene kikker en de bruine kikker voor educatieve doeleinden op te kweken tot kikkervisjes en kikkertjes.

Na de gedaanteverwisseling moeten de kikkertjes wel weer worden vrijgelaten op de plek waar ze vandaan komen.

Het houden van volgroeide kikkers is namelijk verboden.



 

 

 

 

 


De rugstreeppad
 

De rugstreeppad is een pionierssoort van open, warme droge gebieden. Zodra het leefgebied begroeid en dus overschaduwd raakt trekken de dieren weg.

Voortplanting
Er zijn drie ei-afzetperiodes, die vooral afhankelijk zijn van overvloedige regenval. De eisnoeren worden direct op de waterbodem afgezet. Ze zijn 1-2 m lang en 4-6 mm dik. De 2800 -4000 zwarte eitjes zitten in 1 of 2-rijen in een gelei-omhulsel.

 

De rugstreeppad

Wetenschappelijke naam: Bufo calamita
Grootte: mannetjes kop-romp 40-70 mm, vrouwtjes kop-romp 50-80 mm

De rugstreeppad is een middelgrote pad met een gele lengtestreep over het midden van zijn rug. Zijn loop is muisachtig snel.
De roep van de rugstreeppad is een serie van rollende metaalachtige ratels ‘èrr…èrr…èrr’. Dit is hoorbaar over een afstand van 2 km. De mannetjes hebben een grote kwaakblaas onder de keel.
Voedsel: uit Engels onderzoek bleek dat rugstreeppadden veel vliegen, mieren, kevers, snavelinsecten en spinnen eten.


 

De bruine kikker

Wetenschappelijke naam : Rana temporaria.

Verspreiding : Vaste land van Europa en Noordelijlk Azië.

Voedsel : mieren, wespen, vliegen, torren, vlinders en nachtvlinders.

Grootte : ongeveer 8 cm.

De huidskleur van de bruine kikker is zoals de naam al aangeeft overwegend bruin, hoewel hij ook naar groen kan neigen.

Hij is echter niet met de groene kikker te verwarren, omdat hij in tegenstelling tot deze een donkerbruine driehoekige vlek achter het oog heeft.

Over de achterpoten lopen donkere dwarse banden en ook de voorpoten zijn voorzien van een streep.
 

 


bruine kikker

Bruine kikkers ontwaken in februari of maart uit hun winterslaap. Ze trekken dan meteen naar hun voortplantingsgebieden. Ze kunnen niet echt kwaken, het geluid dat ze maken lijkt meer op knorren.

De bruine kikker legt de eitjes in een zogenaamde groep, de kikkerdril die we allemaal wel kennen.

 


groene kikker
De groene kikker

Wetenschappelijke naam : Rana esculenta.

Vertaald in het Nederlands : Eetbare kikker

Verspreiding : Vaste land van Europa en Noordelijk Aziê.

Voedsel : mieren, wespen, vliegen, torren, vlinders en nachtvlinders.

Grootte : tussen de 5 en de 9 cm.


De groene kikker wordt in sommige landen van Europa als lekkernij gegeten. Deze kikker leeft grotendeels in het water. Groene kikkers leven in groepen en zijn overdag actief. Ze houden erg van de zon.
Er zijn drie soorten groene kikkers: De kleine groene kikker en de grote groene kikker , door een natuurlijke kruising van deze twee soorten is een bastaard ontstaan, de middelste groene kikker.
De hele zomer kun je ze aantreffen in de buurt van schoon water. Ze stellen geen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Wel moeten ze kunnen zonnen. Het liefst bij een poel of vijver die vaak in de schaduw ligt.
Rond half maart komt hij uit zijn winterslaap. Mannetjes kunnen erg goed kwaken, vooral in het voorjaar is deze "boerennachtegaal" goed te horen.
Na het paren worden de eitjes in een groep gelegd, dit is de kikkerdril die je overal ziet.
Deze kikker komt niet in onze poel voor!

 

De gewone pad

Wetenschappelijke naam : Bufo bufo.

Verspreiding : bossen, bouwland, grindgroeven en ruines

Voedsel : Wormen, insecten, spinnen en naaktslakken.

Grootte : 8 – 15 cm.

De gewone of bruine pad heeft een grijsbruine of olijfkeurige, wrattige rug en een lichtere buikzijde. De puppillen zijn horizontaal.

 


Ze paaien in plasjes en vijvers, maar ook in brak water. Ze zijn meestal pas actief in de avondschemering of ’s nachts.

Ze overwinteren in aardholen onder wortels en stenen. Elk jaar opnieuw eind februari en de hele maand maart, trekken de padden naar hun geboortepoel om te paaien. Tijdens deze trek vallen veel slachtoffers door het verkeer.

De eitjes worden afgezet in meterslange eiersnoeren aan waterplanten. Na 12-18 dagen komen de larven uit die nog 3 tot 4 maanden nodig hebben voor de ontwikkeling tot volgroeide padden.

 

De alpenwatersalamander

Wetenschappelijke naam : Triturus alpestris.

Verspreiding : Midden- en west-Europa, tot op een hoogte van 2500 mtr.

In Nederland : Het zuiden van Brabant en in Limburg.

Voedsel : wormen, slakken en kleine insecten.

Grootte : 8 – 12 cm.

Het mannetje van de alpenwatersalamander moet het stellen zonder imposante kam. De felgeblokte geelblauwe tekening op de zijkant is echter niet minder opvallend. Met hun felrode buik en het geblokte patroon op de zijkant zijn ze fraai om te zien.

Alpenwatersalamanders worden gevonden in stilstaande en stromende wateren, poelen en slootjes, door de zon beschenen en beschaduwde wateren. De diertjes blijken niet zo kieskeurig in hun voortplantingsplaats, zolang deze maar in de buurt van een bos ligt.

De overwintering vindt plaats op het land, er zijn echter ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. In februari trekken ze naar het water. De dieren baltsen in de periode van april tot eind mei.

De eieren worden net als bij andere watersalamanders op de blaadjes van waterplanten afgezet. Als deze ontbreken, wat bij sterk beschaduwde bospoelen vaak het geval is, vormen de bladeren op de bodem een alternatief.

De eieren zijn van de andere watersalamanders te onderscheiden door hun grijze kleur. Dit is vooral als ze vers zijn duidelijk te zien.